De uitingen van de Onafhankelijke Internationale Onderzoekscommissie van de VN voor de bezette Palestijnse gebieden inclusief Oost-Jeruzalem en Israël (COI), leggen een structuur van vooringenomenheid bloot. Dat stelt het Jerusalem Institute of Justice (JIJ) in zijn onlangs gepubliceerde rapport The Architecture of Bias.
Het JIJ is een Israëlische mensenrechtenorganisatie, die onder meer juridische bijstand biedt rondom burgerrechten onder de Israëlische wet, maar ook de internationale positie en legitimiteit van de Joodse staat verdedigd.
Het instituut onderzocht hoe en wie het COI binnen het Israëlisch-Palestijnse conflict verantwoordelijkheid toeschrijft, bewijsmateriaal beoordeelt en feiten selecteert en waardeert. De onderzoekers beoordeelden rapportages, verklaringen en persberichten sinds de oprichting van de commissie in 2021 tot heden, om zo vast te kunnen stellen of de commissie voldoet aan de VN-beginselen van onafhankelijkheid, onpartijdigheid, objectiviteit en gelijke behandeling.
Op basis van zijn bevindingen trekt het JIJ de ondubbelzinnige conclusie dat de commissie geen onpartijdig mechanisme is, maar een uniek apparaat van de VN voor de voortdurende controle van één enkele lidstaat, te weten Israël.
Een onbeperkt mandaat
In The Architecture of Bias wordt gewezen op het feit dat VN-commissies voor feitenonderzoek normaal gesproken gebonden zijn aan een vastgestelde termijn en een afgebakend werkterrein. Dat gold bijvoorbeeld voor recente commissies die onderzoek deden naar de situatie in Sudan, Myanmar en Oekraïne. Het COI daarentegen kent een uniek, onbeperkt mandaat, zonder beperkingen ten aanzien van bijvoorbeeld de reikwijdte en duur van het onderzoek. Daarmee heeft de VN volgens het JIJ een voortdurende onderzoekstructuur ingesteld, waarin de commissie de bevoegdheid heeft om buiten een duidelijk kader bewijsmaterialen te verzamelen en te bewaren, waarmee het in de loop van de tijd patronen kan opbouwen. Op basis daarvan doet het COI aanbevelingen en brengt jaarlijks verslag uit aan VN-organen.
Het JIJ noemt deze structuur onrechtmatig en zegt dat de terugkerende patronen van ‘ongelijkheid’ die het heeft vastgesteld in de uitingen van de COI, geen afzonderlijke incidenten zijn, maar moeten worden gezien in de context van het onbeperkte mandaat en de institutionele inrichting van de commissie.
Vraagtekens bij de commissieleden
In het rapport wordt er ook op gewezen dat de VN-normen vereisen dat onderzoekers vrij zijn van externe beïnvloeding, werken zonder vooraf gevormde conclusies en hun bevindingen uitsluitend baseren op beschikbare bewijzen. In het rapport worden voorbeelden gegeven van uitspraken uit het verleden, van meerdere leden van de commissie, die blijk zouden geven van een anti-Israëlische vooringenomenheid.
Zo worden uitspraken van COI-voorzitter Navanethem Pillay aangehaald, die Israël voor haar benoeming beschuldigde van ‘Apartheid’ en oproepen voor sancties tegen Israël steunde. Ook wijst het rapport erop dat commissielid Chris Sidoti in het verleden lid was van de Adviesraad van het Australian Centre for International Justice, dat Israël beschouwt als een koloniaal-apartheidsregime en pleit voor sancties en een wapenembargo, en dat Sidoti een langdurige adviesrol bij de Palestinian Independent Commission for Human Rights vervulde.
Dubbele maatstaven
Uit het onderzoek zou volgens het JIJ duidelijk naar voren komen dat de COI zeer kritisch is op Israëlische inlichtingen en verklaringen en deze in haar rapportages herhaaldelijk als onvoldoende onderbouwd of ontoereikend verwerpt. Volgens de onderzoekers maakt de commissie er daarbij bewust geen melding van dat de voornaamste reden hiervoor beperkingen door militaire geheimhouding zijn. Tegelijkertijd neemt de commissie volgens het JIJ gegevens van Palestijnse overheidsbronnen, niet-geverifieerde sociale media en partijdige belangenorganisaties, zonder voldoende toetsing over.
Een ander verschil dat in het rapport vermeld wordt is het duidelijke verschil in de toewijzing van verantwoordelijkheid. In haar rapportages en verklaringen zou de COI stelselmatig Israël, Israëlische autoriteiten of Israëlische veiligheidstroepen als verantwoordelijke actoren voorstellen en Israëlische ministeries, militaire eenheden en functionarissen bij naam noemen. Daartegenover zou Palestijns handelen vaak beschreven worden met zogenaamde ‘collectieve terminologie’, zoals Palestijnse gewapende groepen, Hamas of strijders. Volgens de onderzoekers worden vermeende schendingen van Israëlische zijde zo verbonden aan juridische conclusies en rechtstreeks gekoppeld aan identificeerbare Israëlische staatsinstellingen en personen.
Zij stellen ook dat de COI Israëlisch optreden vaak beschrijft als het product van bewust beleid, institutionele beslissingen of criminele intentie. Daartegenover zou Palestijns geweld in een context worden geplaatst, bijvoorbeeld als ‘een reactie op de bezetting’ of ‘humanitaire omstandigheden’. Deze framing zou onder meer de verantwoordelijkheid van Palestijnse daders verkleinen, terwijl de vermeende intentie van Israëlische acties wordt uitvergroot.
Wanneer de commissie de huidige situatie in een bepaald rapport historische context geeft, begint zij met een beschrijving van de de Palestijnse Nakba (‘catastrofe’) in 1948 en stelt dat deze gebeurtenis de Palestijnen ‘op alle gebieden van het leven’ heeft getroffen, zo is in het rapport te lezen. Het JIJ wijst er op dat de COI in deze historische analyse nauwelijks aandacht besteed aan het VN-verdelingsplan van 1947, de herhaaldelijke verwerping daarvan door Arabische- en Palestijnse leiders, de invasie van Israël door naburige Arabische legers in 1948, de gedwongen verdrijving en verplaatsing van Joden uit Arabische landen, of de historische band van het Joodse volk met het gebied.
Door eenzijdige historische context te geven creëert de COI een beeld waarin Israël de hoofdschuldige van alle leed is en gaat ze voorbij aan de rol van de Arabisch-Palestijnse betrokkenen, aldus het JIJ. Hetzelfde geldt voor de situatie in Gaza, zo stellen de onderzoekers; zo zou er vrijwel geen aandacht worden besteed aan onder meer de bloedige staatsgreep van Hamas in 2007 of de organisatie van militaire activiteiten in burgergebieden. Door het negeren van de Palestijnse invloed op het conflict, wordt de verantwoordelijkheid voor de situatie in Gaza volgens de onderzoekers vrijwel volledig bij Israël neergelegd.
Het JIJ stelt vast dat de in het rapport beschreven dubbele maatstaven die de commissie hanteert, en de juridische kwalificaties hieruit volgen, de staat Israël en Israëlische individuen hoofdzakelijk verantwoordelijk houden. De uitingen van de COI leiden zodoende tot internationale juridische procedures, diplomatieke maatregelen en reputatieschade die de wereldwijde beoordeling van Israëls handelen beïnvloeden, aldus het JIJ.
Strenger voor Israël
In het rapport beweert het JIJ ook dat door alle onderzochte documenten heen de verklaringen van Israëlische zijde aan een strenge bewijstoets worden onderworpen en vaak terzijde geschoven. De commissie zou zich eerder baseren op informatie van Palestijnse autoriteiten, het door Hamas gecontroleerde ministerie van Volksgezondheid in Gaza, lokale getuigen en maatschappelijke of humanitaire organisaties, en daarbij aanzienlijk minder kritisch zijn ten aanzien van de volledigheid van de informatie, bronnen of verificatie.
De onderzoekers zeggen dat de bevindingen van de COI vaak verwijzen naar vertrouwelijke getuigen en niet-openbare informatie, en stellen dat vertrouwelijkheid een onafhankelijke toetsing van de geloofwaardigheid van de verklaringen verhindert. Ook geven zij voorbeelden van rapportages van de COI met verwijzingen naar verwijderde berichten op sociale media, dynamische webpagina’s en rapporten waarin betrouwbare bronvermeldingen ontbreken. Zaken die een onafhankelijke verificatie moeilijk maken, wat volgens het JIJ ook geldt voor materiaal van sociale-mediaplatforms zoals X, YouTube, Facebook en Telegram, waar de commissie sterk op zou leunen. Toch worden deze materialen gebruikt voor bevindingen over ernstige zaken als oorlogsmisdaden, genocide of institutionele opzet, zo valt te lezen in het rapport.
Context van het slagveld genegeerd
Een laatste, maar niet onbelangrijke bevinding waar de onderzoekers in het rapport op wijzen, is dat de onderzoekscommissie (COI) de verplichtingen van Israël op het gebied van onder andere proportionaliteit, voorzorgsmaatregelen en humanitaire toegang uitvoerig beschrijft, maar de door Hamas bewust gecreëerde omstandigheden op het slagveld negeert.
Het feit dat Hamas militaire doelen plaatst in dichtbevolkte gebieden, gebruikmaakt van civiele infrastructuur en een tunnelnetwerk onder openbare gebouwen, en nalaat zijn strijders te scheiden van de burgerbevolking, heeft directe gevolgen voor onder meer de voorzorgsmaatregelen die redelijkerwijs voor Israël beschikbaar zijn en de mogelijkheden om militaire doelen te identificeren en een goede proportionaliteitsanalyse te maken, zo stelt het JIJ in het rapport. Door het handelen van Hamas buiten die analyse te laten, past de commissie het internationaal humanitair recht toe op een manier die de Israëlische verantwoordelijkheid bij voorbaat vastlegt en tegelijkertijd de rol van Hamas bij het creëren van risico’s voor burgers bagatelliseert, aldus het JIJ.
Harde conclusies en aanbevelingen
Het Israëlische instituut (JIJ) zegt dat de verzamelde gegevens een structuur van vooringenomenheid van de COI blootlegt. Zo zou de commissie het overgrote deel van het leed onder de burgerbevolking toeschrijven aan Israël, terwijl het feit dat Hamas de civiele infrastructuur van Gaza als wapen inzet en zelf bewust Israëlische burgers als doelwit kiest, volgens het JIJ de voornaamste bevindingen en juridische conclusies van de COI zouden moeten bepalen.
Volgens de rapporteurs is er geen sprake van incidentele keuzes in de formulering, maar van een hardnekkig, gericht patroon en een bewuste, eenzijdige weergave van het conflict, dat van invloed is op internationale juridische procedures, diplomatieke stappen en sancties. Het instituut stelt dat er onmiddellijk corrigerend optreden vereist is om de verdere benadeling van Israël te voorkomen.
Het JIJ doet daarom een aanbeveling aan de lidstaten om het mandaat van de COI te beëindigen, omdat de huidige structuur en werkwijze zowel de geloofwaardigheid als het efficiënte gebruik van VN-middelen zou ondermijnen.